WIA ingevoerd per 1 januari 2006
Dit moet u weten over de nieuwe WAO
Op 1 januari verdwijnt de WAO om opgevolgd te worden door de WIA, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. De WIA geldt voor alle nieuwe ‘gevallen’; voor mensen die nu onder de WAO vallen, blijven de bestaande regels van kracht.
In de nieuwe wet staat werk voorop: zo moeten werknemers die maar voor een klein gedeelte arbeidsongeschikt zijn gewoon in dienst blijven en ‘verdwijnen’ dus niet meer in de WAO. Centraal staat de ‘verdiencapaciteit’ waarmee wordt ingeschat in hoeverre mensen nog in staat zijn zelf in hun inkomen te voorzien. De WIA verschilt daarmee in benadering van de huidige WAO. Daar ligt de nadruk vooral op het verstrekken van een uitkering.
De wet bestaat uit twee delen: de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA). Daarmee komen er twee afkortingen die langzaam, maar zeer zeker, hun intrede zullen doen in het woordenboek van de P&O-er.
De hoofdlijnen van de wet
De bedoeling van de nieuwe wet is dat werknemers, werkgevers, verzekeraars en het UWV alles op alles zullen zetten om ervoor te zorgen dat gedeeltelijk arbeidsgeschikten zo veel mogelijk aan de slag gaan of blijven.
De hoofdlijnen van de wet zijn als volgt:
- Net als nu, moet de werkgever in het eerste en tweede ziektejaar minimaal 70 procent van het loon doorbetalen.
- Onveranderd is ook dat werkgever en werknemer beiden verantwoordelijk zijn voor acties die leiden tot de hervatting van het werk.
- Aan het eind van het tweede ziektejaar beoordeelt het UWV nog steeds of beide partijen er alles aan gedaan hebben om de zieke werknemer aan het werk te houden of te krijgen. Als dat het geval is, dan volgt de keuring.
- Blijkt uit de keuring dat iemand nog minimaal 65% van het laatste loon kan verdienen, dan moet met de werkgever naar een oplossing worden gezocht want er bestaat geen recht op een WIA-uitkering. Als dat niet lukt, is een aanvullende uitkering uit de WW of bijstand mogelijk.
- Als blijkt dat iemand nog tussen de 20 en 65% van het loon kan verdienen, dan geldt de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De werknemer ontvangt 70% van het laatstgenoten loon voor een periode van een ½ tot 5 jaar, afhankelijk van de leeftijd.
- De werknemer is verplicht om te solliciteren. Als deze werk vindt, wordt het salaris maar voor 70% in mindering gebracht op de uitkering, zodat het altijd lonend is om weer te gaan werken. Eventueel kan de aanvulling op het loon langer doorlopen als de termijn van de uitkering is verstreken.
- De WIA maakt het mogelijk dat bedrijven het uitkeringsrisico voor de WGA zelf dragen. Dat kan alleen als een bedrijf een loonsom heeft van minimaal €642.500,- (peildatum 2003). Dat staat gelijk aan ongeveer 25 werknemers. Het UWV moet vòòr 29 december 2005 weten of uzelf het risico wil dragen.
- Wie minder dan 20% van het laatste loon kan verdienen, en als er weinig of geen zicht is op herstel, dan geldt de werknemer als volledig arbeidsongeschikt. Deze heeft dan recht op een langlopende uitkering uit de Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA). De uitkering is 70% van het laatste salaris, maar bedraagt maximaal €30.660,-.
WGA: werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten
Een gedeeltelijk arbeidsgeschikte (dat is iemand die minder dan 65 procent verdiencapaciteit heeft) heeft recht op een uitkering op grond van de WGA. Deze regeling stimuleert werknemers om (meer) te gaan werken omdat het totale inkomen stijgt naarmate iemand meer werkt.
De WGA stimuleert ook werkgevers. Zo zijn werkgevers die een gedeeltelijk arbeidsgeschikte aan het werk helpen of houden niet verplicht het loon door te betalen als de betrokkene binnen vijf jaar opnieuw ziek wordt (no risk polis). Het UWV neemt in dat geval de loondoorbetaling over. Daarnaast krijgt een werkgever korting op de premies voor de sociale verzekeringen als hij een gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst neemt of houdt. Ook de flexibele premie voor de WGA prikkelt de werkgever: de premie wordt lager naarmate minder van zijn werknemers in de WGA komen.
De WGA is een op het laatst verdiende loon gebaseerde uitkering. Dit is wel gebonden aan een maximum. Werkt iemand, dan bedraagt de uitkering 70 procent van het verschil tussen het oude loon en het nieuwe (lagere) loon. Werkt iemand niet, dan is de uitkering 70 procent van het laatstverdiende loon. Bij de berekening van de uitkering geldt een maximum dagloon. De uitkeringsduur is - net als bij de WW - afhankelijk van iemands arbeidsverleden.
Na afloop van deze uitkering bestaat recht op een loonaanvulling of een vervolguitkering. Een gedeeltelijk arbeidsgeschikte die werkt en daarmee minstens de helft verdient van wat hij gezien zijn arbeidsbeperking nog zou kunnen verdienen ('resterende verdiencapaciteit') krijgt een loonaanvulling van 70 procent van het verschil tussen het oude loon en de resterende verdiencapaciteit. Iemand die niet werkt of met werk minder dan de helft van zijn resterende verdiencapaciteit benut, heeft recht op een vervolguitkering van 70 procent van het minimumloon vermenigvuldigd met het arbeidsongeschiktheidspercentage. De gedeeltelijk arbeidsgeschikte heeft in beginsel tot zijn 65-ste aanspraak op de loonaanvulling of vervolguitkering.
Werknemers die minder dan 35 procent loonverlies lijden, vallen niet onder de regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten, maar blijven zo veel mogelijk in dienst van de werkgever. Als zo’n werknemer z’n eigen werk niet meer kan doen en een baan accepteert bij een nieuwe werkgever dan heeft die werkgever recht op een no risk polis. Dit betekent dat de werkgever als de werknemer binnen 5 jaar ziek wordt het loon niet zelf hoeft door te betalen.
IVA: inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten
Voor mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, is werkhervatting niet aan de orde. Een werknemer is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als hij niet meer dan 20 procent van zijn laatstverdiende loon kan verdienen en hij ook niet meer beter kan worden of de kans daarop heel klein is. De Geus vindt het de taak van de overheid om deze groep een redelijke, toekomstbestendige inkomensvoorziening te bieden. De Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA) kent een uitkering van 70 procent van het laatstverdiende loon. Hierbij geldt wel een maximum. Mensen die langdurig zijn aangewezen op de IVA krijgen niet te maken met verdere inkomensachteruitgang; hiermee vervalt het zogeheten ‘WAO-gat’.
Werknemers die volledig arbeidsongeschikt zijn en een geringe kans op herstel hebben, worden de eerste vijf jaar jaarlijks herkeurd om te bezien of herstel optreedt. Als een dergelijke werknemer op een gegeven ogenblik gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt verklaard, gaat deze over van de IVA naar de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Is dat niet het geval, dan blijft men onder de IVA vallen.
Zieke werknemers waarvan al eerder dan na twee jaar ziekte duidelijk is dat zij volledig arbeidsongeschikt zijn en geen kans op herstel hebben, kunnen na een wachttijd van drie maanden een aanvraag indienen voor een IVA-uitkering. Als zij inderdaad volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, dan krijgen zij vanaf dat moment een uitkering. De loondoorbetaling loopt gewoon door gedurende de eerste twee ziektejaren. De uitkering wordt hierop in mindering gebracht.
De IVA-uitkering zal met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 worden verhoogd tot 75 procent van het laatst verdiende loon als er in 2006 niet meer dan 25.000 volledig duurzaam arbeidsongeschikten zijn bijgekomen. Bovendien mag aan werknemers over twee ziektejaren niet meer dan 170 procent van het laatstverdiende loon aan ziekengeld zijn uitbetaald. Als aan beide voorwaarden is voldaan dan zal naast de uitkeringsverhoging ook de zogeheten Pemba-premie voor werkgevers, waarvan de hoogte afhangt van het aantal werknemers dat in de WAO komt, worden afgeschaft.
Risico arbeidsongeschiktheid verzekeren
In 2006 kunnen grote werkgevers er voor kiezen het risico voor gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid in hun bedrijf bij het UWV onder te brengen, zelf te dragen of onder te brengen bij een private verzekeraar.
Kleine werkgevers die nu ook al eigenrisicodrager zijn, mogen dat blijven. Het UWV rekent in 2006 voor alle werkgevers (ongeacht hoeveel werknemers in hun bedrijf gedeeltelijk arbeidsgeschikt worden) een gelijke premie. Vanaf 2007 hebben alle werkgevers de keuze of ze het risico van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van hun werknemers zelf dragen, onderbrengen bij een private verzekeraar of bij het UWV.
Om eerlijke concurrentie tussen UWV en verzekeraars mogelijk te maken komt er vanaf 2007 een opslag op de UWV-premie voor de WGA. Verzekeraars moeten kapitaal reserveren om de uitkeringen te kunnen betalen. Ze moeten dit doorberekenen in de premies. Het UWV hoeft niet zo'n buffer aan te leggen en zou dus lagere premies kunnen hanteren. De tijdelijke lastenverzwaring die hiervan het gevolg is, wordt vanaf 2007 gecompenseerd.